Aanspreken op gedrag…

Iedere dag zijn wij druk met taal, we leren het Algemeen Beschaafd Nederlands, we hanteren schrijftaal, spreektaal, straattaal, e-taal, nieuwe generatie taal, managementtaal, dialecten, invloeden van vreemde talen en dialecten in vreemde talen. We letten te weinig op wat woorden in essentie betekenen.

Neem het woord ‘zijn’, de vervoegingen van zijn zijn (ja daar heb je het al, twee keer ‘zijn’, elk in een andere betekenis en mijn spellingscontrole zegt nu al dat het fout is). Wat is nu eigenlijk de betekenis van het woord zijn.

‘Zijn’ zegt iets over jouw en mijn identiteit, een woord dat staat voor wie iemand ‘is’ als persoon, als levend organisme met alles wat dat met zich meebrengt. Dus ook hoe iemand denkt, waar iemand in gelooft, wat iemand vindt, hoe iemand zich gedraagt, hoe iemand zich kleedt, hoe iemand praat, hoe iemand woont, hoe iemand eet, hoe iemand leeft. Bij elkaar opgeteld is dat ‘zijn’.

Hoe het woord zijn (of de vervoeging) in het dagelijks taalgebruik wordt toegepast houdt dus verband met de optelsom, jouw en mijn identiteit, en daar gaat het mis…

Als wij opgroeien leren wij het woord ‘zijn’ te gebruiken zonder de werkelijke betekenis ervan te kennen. “Jij bent stom.” Zegt dus iets over mijn identiteit, mijn existentie op deze planeet. ‘Stom’ zijn betekent dus dat ik ‘stom’ denk, dat ik in ‘stomme’ dingen geloof, dat ik ‘stomme’ ideeën heb, dat ik me ‘stom’ gedraag, dat ik me ‘stom’ kleedt, dat ik ‘stom’ praat, dat ik ‘stom’ leef et cetera, alles verpakt in 3 woorden “Jij bent stom” en dat is …. (tja)….stom.

Als wij opgroeien leren wij de betekenis van het woord ‘zijn’, toch vallen we regelmatig terug in taalgebruik uit onze vroege jeugd. Wij gebruiken het woord ‘zijn’ te pas en onpas in onze dagelijkse communicatie en leggen daarmee een relatie met de existentie van een individu. Dit gebeurt positief; “Ik ben (?!) brandweerman.”, “Dat is een fijne collega.”, “Jij bent geslaagd.” en negatief; “Tja, hij is nu eenmaal zo…”, “Jij bent daar niet  goed in.”, of nog erger “Jij bent een [!]…”.

Wat wij eigenlijk beogen met het gebruik van het woord ‘zijn’ is dat wij de ander iets duidelijk willen maken over zijn of haar gedrag, en daar hoort een ander woordje bij, namelijk het woordje ‘doen’. In het dagelijkse taalgebruik klinkt dat dan als “Dat doe jij goed!”, of “Dat doe jij niet zoals het is afgesproken.”. Deze vorm noemen we ‘aanspreken op gedrag’, dat is dus iets anders dan ‘aanspreken op de identiteit van een persoon’. Waar aanspreken op gedrag betekent dat je ‘iets anders moet doen…’, betekent aanspreken op identiteit dat je ‘iemand anders moet zijn…’ en dat heeft een behoorlijke impact op iemands existentie op deze planeet. Want, hoe moet je nu iemand anders ‘zijn’…?

Een krachtige betekenis van het woord ‘zijn’ is ‘Er voor de ander zijn…’. En laat dat nu zijn wat het zou moeten zijn, er zijn als de ander iemand nodig heeft bij wie hij of zij kan zijn wie hij of zij werkelijk is. En laten we het in alle andere gevallen alstublieft hebben over ‘doen’!